Gezondheid van de Papillon en Phalène

Hoewel de Epagneul Nain Papillon en Phalène over het algemeen gezonde en vitale hondjes zijn, komen er bij het ras enkele erfelijke aandoeningen voor waar fokkers en eigenaren alert op moeten zijn. Door verantwoord fokken en het inzetten van onder andere DNA-testen kunnen veel gezondheidsproblemen voorkomen of beperkt worden.

Veelvoorkomende aandoeningen

  • Patella Luxatie
    Dit is een aandoening waarbij de knieschijf uit de kom schiet. Het komt relatief vaak voor bij kleine rassen zoals de Papillon en Phalène. Regelmatige controle en uitsluiting van fokdieren met deze afwijking is essentieel.
  • Ecvo Oogonderzoek
    Voor fokdieren is het aan te raden om teven een ECVO test te doen.De ECVO-oogtest is een officiële oogonderzoek uitgevoerd door een erkende dierenarts-oogspecialist, volgens de richtlijnen van de European College of Veterinary Ophthalmologists (ECVO). Deze test wordt vaak gebruikt bij rashonden om erfelijke oogafwijkingen vroegtijdig op te sporen en uit te sluiten in de fokkerij.Tijdens het onderzoek worden beide ogen grondig gecontroleerd op aandoeningen zoals:

    • Cataract (lensvertroebeling)
    • Progressieve Retina Atrofie (PRA)
    • Distichiasis (extra wimperharen)
    • Retinadysplasie
    • Glaucoom

    De resultaten worden vastgelegd op een officieel ECVO-formulier en zijn meestal één jaar geldig. Door deze test regelmatig uit te voeren bij fokdieren, kunnen erfelijke oogziekten worden voorkomen en blijft het ras gezond.

DNA-tests voor erfelijke aandoeningen

Er zijn diverse DNA-tests beschikbaar die fokkers kunnen inzetten om de gezondheid van hun honden te waarborgen:

  • Pap_PRA1
    Test op de genetische vorm van PRA die specifiek voorkomt bij Papillons en Phalènes. Hiermee kunnen dragers en lijders worden geïdentificeerd
  • Degenerative Myelopathy (DM)
    Een ernstige aandoening van het ruggenmerg die leidt tot verlamming van de achterhand. De DNA-test identificeert honden die drager of lijdend zijn, zodat deze niet met elkaar worden gecombineerd in de fok.
  • Factor VII Deficiëntie
    Een milde tot matige bloedstollingsstoornis. Honden met twee kopieën van het defecte gen kunnen een verhoogde bloedingsneiging hebben. De test helpt bij het voorkomen van deze aandoening in de foklijne.
  • Neuroaxonal Dystrophy (NAD)
    Een ernstige neurologische aandoening die leidt tot bewegingsstoornissen. DNA-testen maken het mogelijk om dragers te identificeren en uit te sluiten van de fok.
  • Von Willebrand Disease (vWD type I)
    Een erfelijke bloedingsstoornis die varieert in ernst. De DNA-test maakt onderscheid tussen gezonde honden, dragers en lijders, en helpt fokkers bij het maken van verantwoorde keuzes

Door deze aandoeningen serieus te nemen en gebruik te maken van beschikbare DNA-tests, dragen fokkers bij aan het behoud van een gezond en levenslustig ras. Een uitgebreide uitleg van de ziekten en testen vind je hieronder.

Wat is de DNA-test voor Degeneratieve Myelopathie (DM) bij Papillons en Phalènes?

Degeneratieve Myelopathie (DM) is een ernstige neurologische aandoening die leidt tot progressieve verlamming van de achterhand bij honden. De ziekte begint meestal met coördinatieproblemen en zwakte in de achterpoten, en kan uiteindelijk leiden tot volledige verlamming. De symptomen treden vaak op bij oudere honden, meestal tussen de 7 en 14 jaar

Wat onderzoekt de DNA-test?

De DM-DNA-test spoort een mutatie op in het SOD1-gen, specifiek de SOD1-A variant, die geassocieerd is met DM bij veel hondenrassen, waaronder Papillons en Phalènes. De testresultaten geven aan of een hond:

  • Vrij (clear) is: twee normale kopieën van het gen, geen risico op DM.
  • Drager (carrier) is: één normale en één gemuteerde kopie, geen symptomen maar kan de mutatie doorgeven.
  • Lijder (affected) is: twee gemuteerde kopieën, verhoogd risico op het ontwikkelen van DM.

Waarom is het belangrijk om ouderdieren te testen?

Hoewel niet elke hond met twee gemuteerde genen klinische symptomen ontwikkelt, is het risico aanzienlijk verhoogd. Daarom is het belangrijk om ouderdieren te testen vóór het fokken:

  • Voorkom het fokken van pups met verhoogd risico op verlamming.
  • Beperk de verspreiding van de mutatie binnen het ras.
  • Maak verantwoorde combinaties, bijvoorbeeld een drager alleen fokken met een vrije partner.

Voor Papillons en Phalènes, die gevoelig zijn voor deze aandoening, is het testen van ouderdieren een essentieel onderdeel van verantwoord fokken en draagt het bij aan het behoud van de gezondheid van het ras.

Wat is de Pap_PRA1 DNA-test bij Papillons en Phalènes?

De Pap_PRA1 DNA-test is een genetische test die specifiek is ontwikkeld om te screenen op een erfelijke vorm van Progressieve Retina Atrofie (PRA) bij de rassen Papillon en Phalène. Deze aandoening leidt tot een geleidelijke en onomkeerbare blindheid, doordat de lichtgevoelige cellen in het netvlies langzaam afsterven.

Wat onderzoekt de test?

De test spoort een specifieke mutatie op in het CNGB1-gen, die verantwoordelijk is voor de Pap_PRA1-variant van PRA. Deze variant is uniek voor Papillons en Phalènes en komt niet voor bij andere rassen. De testresultaten geven aan of een hond:

  • Vrij (clear) is: geen mutatie aanwezig.
  • Drager (carrier) is: één kopie van de mutatie aanwezig, geen symptomen maar kan de mutatie doorgeven.
  • Lijder (affected) is: twee kopieën van de mutatie aanwezig, zal de ziekte ontwikkelen.

Waarom is het belangrijk om ouderdieren te testen?

Omdat Pap_PRA1 autosomaal recessief wordt overgeërfd, is het cruciaal om te weten of ouderdieren drager zijn. Alleen honden met twee kopieën van de mutatie worden ziek, maar dragers kunnen de aandoening ongemerkt doorgeven aan hun nakomelingen. Door ouderdieren te testen:

  • Voorkom je dat pups blind worden door deze erfelijke aandoening.
  • Kun je verantwoord fokken, door bijvoorbeeld een drager alleen te combineren met een vrije partner.
  • Draag je bij aan het verbeteren van de genetische gezondheid van het ras.

Wat is een ECVO-oogonderzoek?

Een ECVO-oogonderzoek is een gespecialiseerd oogonderzoek dat wordt uitgevoerd door dierenartsen die zijn aangesloten bij het European College of Veterinary Ophthalmologists (ECVO). Het doel is om erfelijke en vermoedelijk erfelijke oogaandoeningen bij honden op te sporen.

Wat wordt onderzocht?

Tijdens het ECVO-onderzoek worden de ogen van de hond gecontroleerd op een reeks aandoeningen, waaronder:

  • Cataract (staar)
  • Progressieve Retina Atrofie (PRA)
  • Distichiasis (abnormale haargroei op de ooglidrand)
  • Entropion / Ectropion (naar binnen of buiten krullende oogleden)
  • Membrana Pupillaris Persistens (MPP) – resten van embryonaal vaatweefsel
  • Retinadysplasie
  • Corneadystrofie
  • Vitreusdegeneratie
  • Micropapilla / hypoplasie van de oogzenuw

Het onderzoek gebeurt zonder verdoving en is niet pijnlijk. De hond krijgt oogdruppels om de pupil te verwijden, waarna de dierenarts met speciale apparatuur het oog onderzoekt.

Waarom is het belangrijk bij Papillon en Phalène?

De rassen Papillon en Phalène zijn gevoelig voor meerdere erfelijke oogaandoeningen, waaronder Progressieve Retina Atrofie (PRA) en Cataract, die kunnen leiden tot volledige blindheid op jonge leeftijd. Omdat deze aandoeningen vaak autosomaal recessief zijn, kunnen honden drager zijn zonder symptomen te vertonen, maar de afwijking wel doorgeven aan hun nakomelingen.

Daarom is het essentieel dat ouderdieren vóór het fokken worden getest. Alleen honden die vrij zijn van deze aandoeningen mogen worden ingezet voor de fokkerij. Dit helpt:

  • Het risico op blindheid en andere oogproblemen bij pups te verminderen
  • De gezondheid en het welzijn van toekomstige generaties te waarborgen
  • De kwaliteit van het ras te behouden

De ECVO geeft ook adviezen over welke uitslagen leiden tot een “niet fokken”-advies, bijvoorbeeld bij ernstige erfelijke afwijkingen die pijn, ongemak of verlies van gezichtsvermogen veroorzaken.

Wat is de DNA-test voor Factor VII Deficiëntie bij Papillons en Phalènes?

De Factor VII Deficiëntie (FVIID) DNA-test is bedoeld om een erfelijke bloedstollingsstoornis op te sporen die voorkomt bij verschillende hondenrassen, waaronder Papillons en Phalènes. Factor VII is een eiwit dat essentieel is voor het starten van het bloedstollingsproces. Een tekort aan dit eiwit kan leiden tot verhoogde bloedingsneiging, vooral bij verwondingen of operaties.

Wat onderzoekt de test?

De test spoort een mutatie op in het gen dat verantwoordelijk is voor de productie van Factor VII. De resultaten geven aan of een hond:

  • Vrij (N/N) is: geen mutatie aanwezig, geen risico en geen overdracht.
  • Drager (N/FVII) is: één kopie van de mutatie, geen symptomen maar kan de mutatie doorgeven.
  • Lijder (FVII/FVII) is: twee kopieën van de mutatie, verhoogd risico op bloedingsproblemen.

Waarom is het belangrijk om ouderdieren te testen?

Factor VII Deficiëntie wordt autosomaal recessief overgeërfd. Dit betekent dat een pup alleen ziek wordt als hij van beide ouders een gemuteerd gen erft. Door ouderdieren te testen:

  • Voorkom je het fokken van pups met verhoogd risico op bloedingsproblemen.
  • Kun je verantwoord fokken, bijvoorbeeld door dragers alleen te combineren met vrije dieren.
  • Bescherm je de gezondheid van toekomstige generaties, vooral bij operaties of trauma.

Hoewel de aandoening vaak mild is, kan ze bij medische ingrepen ernstige gevolgen hebben. Daarom is het belangrijk dat fokkers en dierenartsen op de hoogte zijn van de genetische status van de hond.

Wat is de DNA-test voor Neuroaxonale Dystrofie (NAD) bij Papillons en Phalènes?

Neuroaxonale Dystrofie (NAD) is een ernstige erfelijke neurologische aandoening die voorkomt bij Papillons en Phalènes. De ziekte tast het centrale zenuwstelsel aan en leidt tot progressieve neurologische achteruitgang. Symptomen beginnen meestal tussen de leeftijd van 6 maanden en 1 jaar, en omvatten:

  • Wankele, ongecoördineerde gang (ataxie)
  • Trillingen van het hoofd
  • Verlies van spiercontrole
  • Gedragsveranderingen
  • Problemen met zicht en incontinentie

De ziekte is fataal en honden worden vaak binnen een jaar na het begin van de symptomen geëuthanaseerd vanwege het ernstige lijden.

Wat onderzoekt de DNA-test?

De NAD-DNA-test spoort een mutatie op in het gen dat verantwoordelijk is voor deze aandoening. De overerving is autosomaal recessief, wat betekent dat:

  • Vrije honden (twee normale genen) geen risico lopen en de mutatie niet doorgeven.
  • Dragers (één normaal en één gemuteerd gen) geen symptomen hebben, maar de mutatie kunnen doorgeven.
  • Lijders (twee gemuteerde genen) zullen de ziekte ontwikkelen.

Waarom is het belangrijk om ouderdieren te testen?

Omdat NAD een snelle en fatale ziekte is die jonge pups treft, is het cruciaal om ouderdieren te testen vóór het fokken:

  • Voorkom het fokken van pups die de ziekte zullen ontwikkelen.
  • Beperk de verspreiding van de mutatie binnen het ras.
  • Maak verantwoorde fokcombinaties, bijvoorbeeld een drager alleen fokken met een vrije partner.
  • Behoud genetische diversiteit, zonder het risico op ernstige erfelijke aandoeningen.

De test is eenvoudig uit te voeren via een wangslijmvliesstaal of bloedmonster, en wordt aangeboden door gespecialiseerde laboratoria zoals PennGen, Laboklin en andere erkende genetische testcentra.

Wat is patella luxatie?

Patella luxatie is een aandoening waarbij de knieschijf (patella) uit zijn normale positie in de groeve van het dijbeen glijdt.

Dit kan leiden tot pijn, kreupelheid en een huppelend gangwerk. De luxatie kan naar de binnenkant (mediaal) of buitenkant (lateraal) van de knie optreden. Er zijn vier gradaties, van graad 1 (milde, tijdelijke luxatie) tot graad 4 (permanente luxatie die niet handmatig terug te plaatsen is).

Waarom komt patella luxatie vaak voor bij Papillon en Phalène?

Papillons en Phalènes behoren tot de kleine hondenrassen die genetisch gevoelig zijn voor patella luxatie.

Bij deze rassen is de groeve in het dijbeen soms te ondiep en de aanhechting van de kniepees te ver naar binnen geplaatst, waardoor de knieschijf makkelijk uit de groeve schiet. Dit is vaak erfelijk bepaald en komt dus regelmatig voor binnen bepaalde bloedlijnen.

Het hoeft echter niet erfelijk te zijn. Patella Luxatie kan ook door trauma onstaan.

Patella luxatie veroorzaakt door trauma bij honden

Patella luxatie, oftewel het uit de kom schieten van de knieschijf, kan niet alleen erfelijk zijn, maar ook ontstaan door een traumatisch letsel. In dit geval spreken we van een verworven patella luxatie, wat betekent dat de aandoening niet aangeboren is, maar ontstaat door een externe gebeurtenis zoals:

  • Een val van hoogte
  • Een verkeersongeluk
  • Een botsing met een ander dier of object
  • Een harde klap tegen het kniegewricht

Bij trauma kunnen de banden en pezen die de knieschijf op zijn plaats houden beschadigd raken of afscheuren. Hierdoor verliest de knieschijf haar stabiliteit en kan zij uit de groeve glijden. Dit kan leiden tot acute pijn, kreupelheid en een afwijkend gangwerk. Soms ontstaat er ook artrose door de abnormale bewegingen in het kniegewricht.

Diagnose en behandeling

De diagnose wordt gesteld door een dierenarts via lichamelijk onderzoek en eventueel röntgenfoto’s. Behandeling hangt af van de ernst van de luxatie:

  • Milde gevallen kunnen baat hebben bij rust, fysiotherapie en pijnstilling.
  • Ernstige gevallen vereisen vaak chirurgische correctie, zoals het verstevigen van het gewrichtskapsel of het verplaatsen van de peesaanhechting.

Belangrijk om te weten

Hoewel traumatische patella luxatie niet erfelijk is, kan het dezelfde symptomen en gevolgen hebben als de erfelijke variant. Het is daarom belangrijk om bij elke vorm van kreupelheid of pijn in het achterbeen snel een dierenarts te raadplegen.

Waarom is het belangrijk om ouderdieren te testen op patella luxatie bij het fokken?

Omdat patella luxatie een erfelijke aandoening kan zijn, is het cruciaal dat ouderdieren getest worden voordat ze ingezet worden voor de fokkerij. Door alleen te fokken met dieren die vrij zijn van patella luxatie, kan het risico op deze aandoening bij nakomelingen aanzienlijk worden verminderd. Dit voorkomt niet alleen pijn en mobiliteitsproblemen bij pups, maar draagt ook bij aan het verbeteren van de gezondheid van het ras als geheel.

Wat is de DNA-test voor Von Willebrand Disease type I (vWD1) bij Papillons en Phalènes?

Von Willebrand Disease type I (vWD1) is een erfelijke bloedstollingsstoornis die voorkomt bij verschillende hondenrassen, waaronder Papillons en Phalènes. De aandoening wordt veroorzaakt door een tekort of verminderde werking van het von Willebrand-factor (vWF), een eiwit dat essentieel is voor een normale bloedstolling.

Symptomen van vWD1

  • Spontane bloedingen (bijvoorbeeld uit neus of tandvlees)
  • Langdurige bloedingen na verwondingen of operaties
  • Blauwe plekken
  • In ernstige gevallen: levensbedreigende bloedingen

De ernst van de symptomen varieert sterk. Sommige honden blijven asymptomatisch, terwijl anderen ernstige bloedingsproblemen ontwikkelen.

Wat onderzoekt de DNA-test?

De test spoort een mutatie op in het vWF-gen. De resultaten geven aan of een hond:

  • Vrij (N/N) is: geen mutatie, geen risico en geen overdracht.
  • Drager (N/vWF) is: één kopie van de mutatie, mogelijk milde symptomen, kan de mutatie doorgeven.
  • Lijder (vWF/vWF) is: twee kopieën van de mutatie, verhoogd risico op bloedingsproblemen, geeft de mutatie door aan alle nakomelingen.

Waarom is het belangrijk om ouderdieren te testen?

Omdat vWD1 autosomaal recessief wordt overgeërfd, kunnen dragers de aandoening ongemerkt doorgeven. Door ouderdieren te testen:

  • Voorkom je het fokken van pups met verhoogd risico op bloedingsstoornissen.
  • Kun je verantwoord fokken, bijvoorbeeld door dragers alleen te combineren met vrije dieren.
  • Bescherm je de gezondheid van toekomstige generaties, vooral bij medische ingrepen.

De test is eenvoudig uit te voeren via een wangslijmvliesstaal en wordt aangeboden door erkende laboratoria zoals UC Davis en Laboklin.

Overige gezondheidsproblemen die kunnen voorkomen binnen het ras.

Castratie en sterilisatie bij Papillon en Phalène: een bewuste keuze

Het castreren (bij reuen) en steriliseren (bij teven) van honden is een veelvoorkomende ingreep die verschillende voordelen kan bieden — maar ook nadelen met zich meebrengt. Bij rassen zoals de Papillon en Phalène, die gevoelig zijn voor bepaalde lichamelijke en hormonale veranderingen, is het belangrijk om goed geïnformeerd te zijn voordat je deze beslissing neemt.

✅ Voordelen

  • Voorkomen van ongewenste nestjes
    Dit is vooral belangrijk als je niet wilt fokken. Het voorkomt ook risico’s zoals schijndracht bij teven.
  • Rustiger gedrag
    Sommige honden worden na castratie of sterilisatie minder dominant of minder snel afgeleid door hormonen, wat de training en het samenleven kan vergemakkelijken.
  • Verminderd risico op bepaalde gezondheidsproblemen
    Denk aan baarmoederontstekingen (pyometra) bij teven en prostaatproblemen of testikeltumoren bij reuen.

❌ Nadelen

  • Vachtverandering
    Bij Papillons en Phalènes komt het regelmatig voor dat de vacht na castratie of sterilisatie verandert. De vacht kan doffer worden, pluiziger, of moeilijker te onderhouden. Vooral bij honden met een fijne, zijdeachtige vacht is dit een veelgehoorde klacht.
  • Gewichtstoename
    Door hormonale veranderingen kan de stofwisseling vertragen, waardoor de hond sneller aankomt. Dit vraagt om aanpassing van voeding en beweging.
  • Verandering in gedrag
    Niet alle gedragsveranderingen zijn positief. Sommige honden kunnen juist passiever worden of minder speels.
  • Onomkeerbaarheid
    Eenmaal uitgevoerd, is de ingreep definitief. Daarom is het belangrijk om goed af te wegen of het echt nodig is, zeker bij jonge honden.

Wat is verstandig?

Overleg altijd met een dierenarts en eventueel de fokker. Soms is het beter om te wachten tot de hond lichamelijk en mentaal volgroeid is. Bij Papillons en Phalènes, die vaak laat volwassen worden, kan te vroege castratie invloed hebben op de ontwikkeling van het lichaam en gedrag.

Chiari-like Malformatie (CM) en Syringomyelie (SM) bij Papillons en Phalènes

CM en SM zijn ernstige neurologische aandoeningen die steeds vaker worden vastgesteld bij kleine hondenrassen, waaronder de Papillon en Phalène. Deze aandoeningen worden vaak samen genoemd, maar zijn verschillend:

  • Chiari-like Malformatie (CM) is een afwijking waarbij de schedel te klein is voor de hersenen, waardoor delen van de kleine hersenen (cerebellum) door het achterhoofdsgat worden gedrukt. Dit belemmert de normale stroming van hersenvocht.
  • Syringomyelie (SM) ontstaat wanneer het hersenvocht zich ophoopt in het ruggenmerg, waardoor er met vocht gevulde holtes (syrinxen) ontstaan. Dit leidt tot pijn, neurologische uitval en gedragsveranderingen.

Symptomen van CM/SM

  • Krabben in de lucht of richting de nek
  • Nekpijn, gevoeligheid bij aanraking
  • Evenwichtsproblemen, zwakte in de achterhand
  • Onzindelijkheid, gedragsveranderingen
  • Pijnaanvallen en neurologische uitval

Waarom komt CM/SM steeds vaker voor bij Papillons en Phalènes?

De toename van CM/SM binnen deze rassen lijkt deels te komen door verminderde genetische diversiteit en onvoldoende screening. Maar een belangrijke oorzaak is ook het inkruisen van andere rassen zoals de Pomeriaan (Dwergkees) en Chihuahua. Deze rassen zijn zelf sterk belast met CM/SM en dragen genetische aanleg voor deze aandoeningen.

Bij zogenaamde “look-alike” Papillons of Phalènes, die qua uiterlijk op het ras lijken maar genetisch gemengd zijn, is het risico op CM/SM vaak verhoogd. Deze honden hebben soms een afwijkende schedelvorm of hersenstructuur die de aandoening in de hand werkt. Omdat deze kruisingen niet altijd officieel geregistreerd zijn, worden ze vaak niet getest, wat het probleem verergert.

Waarom is testen belangrijk?

De enige betrouwbare manier om CM/SM vast te stellen is via een MRI-scan, bij voorkeur vanaf 3 jaar oud. Voor fokdieren is het essentieel om vooraf te screenen:

  • Voorkom het fokken van lijders, ook als ze nog geen symptomen vertonen.
  • Beperk verspreiding van de aandoening binnen het ras.
  • Verbeter het welzijn van toekomstige generaties.

Niet fokken met honden die CM/SM hebben (ook zonder klachten) is de beste manier om het ras gezond te houden.

Epilepsie bij Papillons en Phalènes

Epilepsie is een neurologische aandoening die ook bij Papillons en Phalènes voorkomt. Het wordt gekenmerkt door herhaalde aanvallen als gevolg van abnormale elektrische activiteit in de hersenen. Deze aanvallen kunnen variëren van milde spierschokken tot ernstige convulsies waarbij de hond omvalt, verstijft en ongecontroleerde bewegingen maakt.

Soorten epilepsie

Er zijn twee hoofdvormen:

  • Primaire (idiopathische) epilepsie: hierbij is geen duidelijke oorzaak te vinden. Deze vorm komt vaak voor bij rashonden en heeft een genetische component. Bij Papillons en Phalènes wordt vermoed dat deze vorm steeds vaker voorkomt, mede door onvoldoende genetische screening en inkruising met andere rassen.
  • Secundaire epilepsie: hierbij is er een aantoonbare oorzaak zoals een hersentumor, infectie, lever- of nierproblemen, of vergiftiging.

Symptomen

Een epileptische aanval verloopt meestal in drie fasen:

  1. Aura: gedragsveranderingen zoals onrust, janken, likken of verstoppen.
  2. Aanval: verstijven, vallen, trillen, schuimbekken, urineverlies.
  3. Herstel: desoriëntatie, spierzwakte, tijdelijke blindheid of doofheid.

Waarom komt epilepsie steeds vaker voor?

Binnen het ras Papillon en Phalène wordt epilepsie steeds vaker gemeld. Een belangrijke oorzaak is het inkruisen van andere rassen zoals de Chihuahua en Pomeriaan. Deze rassen hebben een verhoogde aanleg voor neurologische aandoeningen, waaronder epilepsie. De zogenaamde “look-alike” Papillons en Phalènes, die qua uiterlijk op het ras lijken maar genetisch gemengd zijn, dragen vaak deze verhoogde risico’s met zich mee.

Belang van verantwoord fokken

Omdat primaire epilepsie een polygenetische erfelijke aandoening is, is het moeilijk om via DNA-testen dragers te identificeren. Toch is het belangrijk om:

  • Niet te fokken met honden die epileptische aanvallen hebben gehad.
  • Afstamming en raszuiverheid goed te controleren.
  • Samen te werken met rasverenigingen en fokadviescommissies.

Een goed fokbeleid kan helpen om het risico op epilepsie binnen het ras te beperken en het welzijn van toekomstige generaties te verbeteren.

Gebitsproblemen bij Papillon en Phalène: klein ras, grote aandacht voor het gebit

Hoewel de Papillon en Phalène bekend staan om hun charmante uiterlijk en levendige karakter, zijn ze — zoals veel kleine rassen — gevoelig voor gebitsproblemen. Door hun fijne schedelbouw en kleine bek kunnen tanden soms scheef groeien of te dicht op elkaar staan, wat het risico op tandplak, tandsteen en ontstekingen verhoogt.

Veel voorkomende problemen zijn:

  • Tandsteen en ontstoken tandvlees
  • Vroegtijdig verlies van tanden
  • Slechte adem
  • Pijn bij het eten of kauwen

Een gezond gebit is essentieel voor het welzijn van de hond. Gebitsproblemen kunnen ongemerkt leiden tot pijn, verminderde eetlust en zelfs infecties die zich verspreiden naar andere organen.

Wat kun je doen?

  • Regelmatige controle door de dierenarts
  • Dagelijkse of wekelijkse gebitsverzorging, zoals poetsen of speciale kauwproducten
  • Goede voeding die helpt bij het reinigen van het gebit
  • Fokselectie: verantwoord fokken helpt om erfelijke gebitsproblemen te verminderen

Voor fokkers is het belangrijk om aandacht te besteden aan het gebit van ouderdieren en dit mee te nemen in het fokbeleid.

Het MDR1-gen bij Papillons en Phalènes: Wat je moet weten

Wat is het MDR1-gen?

Het MDR1-gen (Multi-Drug Resistance 1) codeert voor het eiwit P-glycoproteïne, dat een essentiële rol speelt in het beschermen van het centrale zenuwstelsel. Dit eiwit fungeert als een soort poortwachter bij de bloed-hersenbarrière en zorgt ervoor dat schadelijke stoffen, waaronder bepaalde medicijnen, niet in de hersenen terechtkomen.

Wanneer dit gen gemuteerd is, werkt het beschermingsmechanisme niet goed. Hierdoor kunnen medicijnen die normaal veilig zijn, ernstige neurologische symptomen veroorzaken bij honden met deze mutatie.


Ontdekking en geschiedenis

De MDR1-mutatie werd voor het eerst ontdekt in 1983 bij Collie-achtigen, toen bleek dat het antiparasitaire middel ivermectine bij sommige Collies ernstige vergiftigingsverschijnselen veroorzaakte, zelfs bij lage doseringen. Symptomen varieerden van braken en speekselen tot epileptische aanvallen, coma en zelfs overlijden.

Later genetisch onderzoek toonde aan dat deze gevoeligheid werd veroorzaakt door een deletie in het MDR1-gen, waardoor het P-glycoproteïne niet goed functioneert.


MDR1 bij Papillons en Phalènes

Hoewel de MDR1-mutatie het meest voorkomt bij herdersrassen zoals de Collie, Border Collie, Australian Shepherd en Shetland Sheepdog, is het inmiddels ook vastgesteld bij andere rassen en kruisingen met collie-bloed, waaronder Papillons en Phalènes.

Omdat deze rassen kleiner zijn en vaak gevoeliger voor medicatie, is het extra belangrijk om alert te zijn op mogelijke MDR1-gerelateerde reacties.


Symptomen van MDR1-gevoeligheid

Honden met een MDR1-mutatie kunnen na toediening van bepaalde medicijnen de volgende symptomen vertonen:

  • Wankel lopen, desoriëntatie
  • Spiertrillingen, toevallen
  • Overmatig speekselen, braken
  • Vergrote pupillen, blindheid
  • Ademhalingsproblemen
  • Coma of overlijden in ernstige gevallen

Risicovolle medicijnen

Honden met een MDR1-mutatie zijn gevoelig voor onder andere:

  • Ivermectinemilbemycineselamectine (parasietenbestrijding)
  • Loperamide (Imodium®, tegen diarree)
  • Vincristinedoxorubicine (chemotherapie)
  • Acepromazinebutorphanol (verdoving)
  • Cyclosporinedigoxinemorfine

Zelfs middelen die vrij verkrijgbaar zijn, zoals Imodium®, kunnen gevaarlijk zijn voor MDR1-gevoelige honden.


De MDR1-DNA-test

Er is een betrouwbare DNA-test beschikbaar om te bepalen of een hond:

  • Vrij is (twee gezonde genen)
  • Drager is (één gezond en één gemuteerd gen)
  • Lijder is (twee gemuteerde genen)

De test wordt meestal uitgevoerd via een wangslijmvlies-swab of bloedafname. Het monster wordt vervolgens geanalyseerd in een gespecialiseerd genetisch laboratorium, zoals het Van Haeringen Instituut.

Waarom testen?

  • Preventie: Voorkom toediening van risicovolle medicijnen.
  • Fokbeleid: Vermijd het doorgeven van de mutatie aan nakomelingen.
  • Medische veiligheid: Informeer dierenartsen voorafgaand aan behandelingen.

Het is aan te raden om de MDR1-status van je hond te vermelden in het dierenpaspoort en op een medisch identificatieplaatje.


Conclusie

De MDR1-mutatie is een serieus gezondheidsrisico voor honden, ook bij rassen zoals Papillons en Phalènes. Door je hond te laten testen en bewust om te gaan met medicatie, kun je ernstige gezondheidsproblemen voorkomen. Informeer fokkers, dierenartsen en andere eigenaren over het belang van MDR1-screening.

Mitral Valve Disease (MVD) bij Papillons en Phalènes

Mitral Valve Disease (MVD), ook wel mitralisinsufficiëntie genoemd, is een chronische en progressieve hartaandoening waarbij de mitralisklep tussen de linkerboezem en linkerkamer van het hart niet goed sluit. Hierdoor stroomt een deel van het bloed terug in plaats van vooruit, wat leidt tot lekkage en uiteindelijk hartfalen.

Symptomen van MVD

  • Verminderd uithoudingsvermogen
  • Hoesten, vooral ’s nachts of bij inspanning
  • Benauwdheid of versnelde ademhaling
  • Ritmestoornissen
  • Vermagering
  • Flauwvallen tijdens activiteit

Oorzaken en erfelijkheid

MVD ontstaat meestal door degeneratie van de hartklep, een soort slijtageproces waarbij het bindweefsel knobbelig en minder elastisch wordt. Hoewel het bij alle honden kan voorkomen, is het bij kleine rassen zoals de Papillon en Phalène vaker aanwezig. Er is sprake van een genetische aanleg, waardoor het belangrijk is om fokdieren te screenen op hartproblemen.

Diagnostiek

  • Auscultatie (luisteren met stethoscoop): eerste stap om hartruis op te sporen.
  • Echocardiografie met Doppler: bevestigt lekkage en ernst van de aandoening. Dit is de voorkeursmethode voor fokonderzoek.

Waarom testen vóór het fokken?

Omdat MVD erfelijk kan zijn, is het cruciaal om ouderdieren te laten onderzoeken vóór ze worden ingezet voor de fokkerij. Dit helpt:

  • Voorkomen dat pups geboren worden met aanleg voor hartproblemen
  • Verbeteren van de algehele gezondheid van het ras
  • Vertragen van de verspreiding van de aandoening binnen de populatie

Een goed fokbeleid vraagt om regelmatige hartcontroles, vooral bij honden ouder dan 5 jaar, omdat MVD zich vaak pas op latere leeftijd manifesteert.

Navelbreuk bij Papillon en Phalène: Oorzaken en Aanpak

Een navelbreuk (ook wel hernia umbilicalis genoemd) is een uitstulping van buikinhoud door een zwakke plek in de buikwand ter hoogte van de navel. Bij Papillons en Phalènes komt dit regelmatig voor, vooral bij pups.

Erfelijke aanleg

Bij deze rassen kan een navelbreuk een erfelijke component hebben. Dit betekent dat de aanleg voor een zwakke buikwand genetisch kan worden doorgegeven van ouderdieren op hun nakomelingen. Fokkers houden hier vaak rekening mee bij het selecteren van ouderdieren, om het risico op erfelijke afwijkingen te beperken.

Niet-erfelijke oorzaken

Naast erfelijkheid zijn er ook andere factoren die kunnen bijdragen aan het ontstaan van een navelbreuk:

  • Te kort afbijten van de navelstreng tijdens de geboorte, bijvoorbeeld door de moederhond. Als de navelstreng te dicht op de buikwand wordt afgebeten, kan dit de buikwand beschadigen of verzwakken.
  • Overmatige druk op de buik bij jonge pups, bijvoorbeeld door veelvuldig persen of hoesten.
  • Trauma of verwonding in het navelgebied, hoewel dit zeldzaam is bij jonge pups.

Wanneer is een navelbreuk zorgwekkend?

De ernst van een navelbreuk varieert. In veel gevallen is het een milde, zachte zwelling die geen pijn veroorzaakt en waarin geen organen bekneld raken.

  • Milde navelbreuk: Deze hoeft meestal geen behandeling. Veel pups groeien er vanzelf overheen, en de breuk sluit zich na verloop van tijd. Wel is het verstandig om de breuk regelmatig te controleren op veranderingen.
  • Ernstige navelbreuk: Als de zwelling groot is, hard aanvoelt, rood wordt, of als de pup pijn lijkt te hebben, kan er sprake zijn van een beknelling van buikorganen. In dat geval is het essentieel om contact op te nemen met een dierenarts. Soms is een chirurgische ingreep nodig om complicaties te voorkomen.

Een open fontanel bij Papillon en Phalène: wat is het en waarom is het belangrijk?

Bij jonge pups van het ras Papillon en Phalène komt het soms voor dat ze geboren worden met een open fontanel — een klein, zacht plekje op de bovenkant van de schedel waar de botten nog niet volledig gesloten zijn. Dit is vergelijkbaar met de fontanel bij menselijke baby’s en is in eerste instantie niet ongebruikelijk.

Normaal gesproken sluit deze opening vanzelf naarmate de pup groeit. Maar bij sommige honden blijft de fontanel open, wat een verhoogd risico kan geven op beschadiging van de hersenen bij een harde klap of val. Hoewel een open fontanel op zich niet altijd direct tot gezondheidsproblemen leidt, is het wel een aandachtspunt bij de fok en selectie van gezonde honden.

Waarom is dit belangrijk voor fokkers en kopers?

Een open fontanel kan erfelijk zijn. Daarom is het belangrijk dat fokkers hierop controleren en dit serieus nemen in hun fokbeleid. Bij een stamboomhond wordt hier vaak op gelet tijdens de veterinaire controles en rasgerichte keuringen. Dit helpt om de gezondheid van het ras te bewaken en te verbeteren.

Voor kopers is het goed om te weten dat een pup met een open fontanel extra voorzichtig behandeld moet worden, en dat het verstandig is om bij de fokker te informeren naar de gezondheid van de ouderdieren en eventuele eerdere gevallen binnen de lijn.

Overgewicht bij Papillon en Phalène: kleine honden, grote gevolgen

De Papillon en Phalène zijn kleine, actieve en elegante honden, maar juist door hun compacte formaat is overgewicht een serieus gezondheidsrisico. Een paar extra onsjes kunnen bij deze rassen al snel leiden tot lichamelijke klachten zoals gewrichtsproblemen, verminderde mobiliteit, hartproblemen en zelfs diabetes.

Waarom zijn ze gevoelig voor overgewicht?

  • Kleine lichaamsbouw: extra gewicht heeft relatief meer impact
  • Minder beweging: vooral bij oudere honden of bij een rustige levensstijl
  • Verwennerij: kleine honden krijgen vaak tussendoortjes of restjes
  • Castratie: kan de stofwisseling vertragen, waardoor gewicht sneller toeneemt

Hoe herken je overgewicht?

Bij een gezonde Papillon of Phalène moet je de ribben goed kunnen voelen zonder dat ze zichtbaar zijn. De taille moet duidelijk te zien zijn van bovenaf, en de buiklijn moet omhoog lopen vanaf de borst. Is dit niet het geval? Dan is het verstandig om kritisch te kijken naar voeding en beweging.

Wat kun je doen?

  • Kies voor een aangepast dieet en voer met gecontroleerde calorieën
  • Zorg voor dagelijkse beweging, zoals wandelen, spelen of hondensport
  • Beperk snacks en beloningen tot gezonde alternatieven
  • Laat je hond regelmatig wegen en overleg bij twijfel met de dierenarts

Een gezond gewicht draagt bij aan een langer, actiever en gelukkiger leven. Voor fokkers is het belangrijk om dit onderwerp ook mee te nemen in de voorlichting aan puppykopers.

Reverse Sneezing bij Papillon en Phalène: Wat is het en Wat Kun Je Eraan Doen?

Reverse sneezing, ook wel “omgekeerd niezen” genoemd, is een fenomeen dat regelmatig voorkomt bij kleine hondenrassen zoals de Papillon en Phalène. Hoewel het er dramatisch uit kan zien, is het meestal onschuldig. In dit artikel lees je wat reverse sneezing precies inhoudt, waarom het voorkomt bij deze rassen, en wat je kunt doen om je hond te helpen.


Wat is Reverse Sneezing?

Reverse sneezing is een reflex waarbij een hond plotseling lucht krachtig inademt door de neus, in plaats van uit te niezen. Dit gaat vaak gepaard met een snurkend of snuivend geluid, een gestrekte nek en gespannen houding. Het lijkt alsof de hond stikt of een aanval heeft, maar meestal stopt het vanzelf binnen enkele seconden tot een minuut.


Waarom komt het voor bij Papillon en Phalène?

Papillons en Phalènes zijn kleine honden met relatief smalle luchtwegen. Dit maakt hen gevoeliger voor irritaties die reverse sneezing kunnen uitlokken. Mogelijke oorzaken zijn:

  • Allergieën (pollen, huisstofmijt, voeding)
  • Irriterende stoffen zoals rook, parfum of schoonmaakmiddelen
  • Vreemde voorwerpen zoals grassprietjes in de neus
  • Opwinding of stress
  • Anatomie: hun fijne bouw maakt hen vatbaar voor luchtwegspasmen

Hoe herken je reverse sneezing?

Een hond die reverse sneezet:

  • Maakt snuivende/snurkende geluiden
  • Strekt de nek en houdt de poten wijd
  • Heeft wijd open ogen
  • Lijkt gespannen of angstig

Het is belangrijk om dit te onderscheiden van gewoon niezen of hoesten. Reverse sneezing is meestal niet gevaarlijk, maar kan wel beangstigend zijn voor de eigenaar.


Wat kun je doen tijdens een episode?

Als je hond een aanval van reverse sneezing heeft:

  1. Blijf kalm – jouw rust helpt je hond.
  2. Wrijf zachtjes over de keel – dit kan de spasmen verlichten.
  3. Laat je hond slikken – dit helpt de reflex te stoppen.
  4. Houd kort de neusgaten dicht – dit dwingt je hond door de mond te ademen (alleen enkele seconden en voorzichtig!).

Wanneer naar de dierenarts?

Hoewel reverse sneezing meestal onschuldig is, is het verstandig om een dierenarts te raadplegen als:

  • De episodes frequent of langdurig zijn
  • Je hond ook hoest, braakt of moeite heeft met ademhalen
  • Er sprake is van een onderliggende allergie of infectie

In sommige gevallen kunnen antihistaminica of andere medicijnen helpen, afhankelijk van de oorzaak.


Preventie en ondersteuning

Je kunt reverse sneezing helpen voorkomen door:

  • Sterke geuren en rook te vermijden
  • Regelmatig schoonmaken om stof en allergenen te verminderen
  • Hypoallergene voeding te overwegen bij voedselgevoeligheid
  • Probiotica te geven ter ondersteuning van het immuunsysteem

Tot slot

Reverse sneezing bij Papillons en Phalènes is meestal geen reden tot paniek. Door het fenomeen te herkennen en rustig te reageren, kun je je hond goed ondersteunen. Bij twijfel of verergering is een bezoek aan de dierenarts altijd verstandig.

De ziekte van Cushing, ook wel hyperadrenocorticisme genoemd, is een hormonale aandoening waarbij het lichaam van de hond te veel cortisol aanmaakt. Dit stresshormoon is essentieel voor het metabolisme, maar een chronisch overschot kan ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken.


🧬 Wat is de ziekte van Cushing?

Cushing ontstaat meestal door een tumor die de hormoonbalans verstoort. Er zijn vier vormen:

  1. Hypofyse-afhankelijke Cushing (85% van de gevallen): een goedaardige tumor in de hypofyse (hersenaanhangsel) stimuleert de bijnieren om te veel cortisol te produceren.
  2. Bijniertumor (15%): een tumor in één van de bijnieren zelf.
  3. Iatrogene Cushing: veroorzaakt door langdurig gebruik van corticosteroïden (zoals prednison).
  4. Ectopische ACTH-productie (zeer zeldzaam): een tumor buiten de hypofyse of bijnieren produceert ACTH.

🐶 Komt het voor bij Papillon en Phalène?

Hoewel de Papillon en Phalène niet expliciet worden genoemd als hoog-risico rassen, behoren ze tot de kleine hondenrassen, die over het algemeen gevoeliger zijn voor de hypofyse-afhankelijke vorm van Cushing. Andere kleine rassen zoals de Poedel, Teckel en Yorkshire Terriër worden vaker genoemd, maar de Papillon en Phalène kunnen zeker ook getroffen worden.


⚠️ Symptomen

De symptomen ontwikkelen zich vaak langzaam en worden soms verward met normale veroudering:

  • Overmatige dorst en urineren (PUPD)
  • Verhoogde eetlust
  • Bolle, hangende buik
  • Spierafbraak en zwakte
  • Doffe vacht, haaruitval, huidproblemen
  • Hijgen, futloosheid
  • Uitblijven van loopsheid of kleine testikels
  • Secundaire infecties (urinewegen, huid)
  • In ernstige gevallen: toevallen of blindheid

🧪 Diagnose

De diagnose wordt gesteld via:

  1. Urineonderzoek – om verhoogde cortisolwaarden te detecteren.
  2. Bloedonderzoek – met een ACTH-stimulatietest of dexamethason suppressietest.
  3. Beeldvorming – zoals echografie of CT-scan om tumoren in hypofyse of bijnieren op te sporen.

💊 Behandeling

De behandeling hangt af van de oorzaak:

  • Hypofysetumor: meestal behandeld met medicatie zoals trilostane (Vetoryl®), levenslang toegediend.
  • Bijniertumor: indien mogelijk chirurgisch verwijderd. Als dat niet kan, wordt medicatie ingezet.
  • Iatrogene vorm: geleidelijke afbouw van corticosteroïden onder begeleiding van een dierenarts.

De behandeling vereist levenslange monitoring en regelmatige bloedcontroles om de dosering aan te passen.


📈 Prognose

Met de juiste behandeling is de levensverwachting van honden met Cushing vaak goed. Onbehandeld leidt de ziekte tot ernstige complicaties zoals diabetes, nierfalen of hartproblemen.

Weergaven: 85